Lees hier de drie winnende verhalen van de wedstrijd Het Verhaal der Lage Landen.
Cogito ergo loquor - Marleen van der Velden
Beluister dit verhaal voorgelezen door Renske de Greef
De dag waarop mijn goudvis begon te praten, was dezelfde als waarop ik een presentatie over het sublieme moest geven. Mijn eerste gedachte was daarom dat ik eindelijk eens iets subliems meemaakte. Meteen daarna bedacht ik me dat ik blijkbaar toch niet zo ontzettend overdonderd was, als ik meteen aan zulke onbenullige dingen als presentatiestof dacht. Misschien verbaasde het me niet dat mijn goudvis besloten had zijn mond open te trekken. De zwarte kringen rond zijn ogen hadden hem altijd al een schijn van hoge intelligentie gegeven.
Natuurlijk kon ik hem niet verstaan. Probeer jij je maar eens verstaanbaar te maken als je met je hoofd (en zelfs je gehele lichaam) in een bak met water zit. Vroeger deden we dat wel eens op verjaardagsfeestjes, ‘waterpraten’ heette dat. Mijn goudvis keek dan ook geërgerd naar de luchtbelletjes die hij produceerde en duwde toen zijn kop boven het wateroppervlak. ‘Verdomme!’ Het uitroepteken staat hier enkel om aan te geven dat het een uitroep was, want erg hard klonk het niet. Vissen hebben geen longen en zijn daarom niet in staat om erg hard te praten. Doorgaans zijn ze überhaupt niet in staat om te praten.
‘Pardon?’ Ik geloof dat ik vooral geschokt was door de woordkeuze van mijn goudvis. Ik had op zijn minst een vriendelijk ‘hallo’ verwacht. Of een: ‘Cogito ergo sum’, al was dat wellicht iets te hoog gegrepen.
‘Ik heb een hekel aan een droge neus’, verklaarde mijn goudvis. ‘En ik vind het ook stom dat je mij geen naam hebt gegeven.’
‘Hebben goudvissen neuzen dan?’, vroeg ik. Terwijl ik het zei, besefte ik al dat dit niet bepaald de dringendste vraag was. ‘Waarom praat jij eigenlijk?’
‘Waarom praat jíj?’ Mijn goudvis dook weer onder water en zwom drie rondjes om het kasteeltje wat ik in de kom had geplaatst. Ik praatte helemaal niet meer.
Mijn goudvis had inderdaad geen naam. Omdat ik altijd in de veronderstelling had verkeerd dat mijn goudvis hier onmogelijk hinder van kon ondervinden, aangezien hij mij toch niet kon verstaan, vond ik een naam nogal overbodig. Een naam is naar mijn mening pas nodig als je met minstens drie levende wezens bent, omdat er dan onduidelijkheid kan ontstaan tegen wie je het hebt. Het is enkel een eenvoudige manier om naar een bepaald persoon te verwijzen, maar blijkbaar dacht mijn goudvis daar anders over. Ik vroeg me af wat voor naam hij in gedachten had. Met ‘Oranjevis’, ‘Blub’ of ‘Vinnie’ nam hij vast geen genoegen. Edmund leek me een beter alternatief, al deed dat nogal ouderwets aan.
Het duurde ongeveer een uur voordat ik de conversatie voortzette. In dat uur had ik mijzelf ervan overtuigd dat ik heus geen pratend huisdier bezat. Als het nu een papegaai of dolfijn was geweest, had het eventueel nog gekund, maar een pratende goudvis was simpelweg onmogelijk. Ik moest het me verbeeld hebben. De stress na mijn niet bepaald sublieme presentatie was me hoogstwaarschijnlijk teveel geworden en uitte zich nu op deze bizarre manier.
‘Edmund?’, fluisterde ik. Ik probeerde mijn goudvis te onderscheiden door het met algen beslagen glas. Edmunds verblijf kon wel weer een keer een schoonmaakbeurt gebruiken. Vanachter het kasteeltje kwam mijn vis tevoorschijn. Hij zei niets, zwom alleen een beetje heen en weer.
‘Zie je wel’, mompelde ik. ‘Vissen kunnen helemaal niet praten. Zelfs Edmund niet.’ Ik voelde me eerder teleurgesteld dan opgelucht.
De goudvis schoot omhoog en opnieuw klonk het eigenaardige stemmetje. Zwak, maar uitstekend verstaanbaar. ‘Edmund? Heb je het tegen mij?’
‘Vind je het een goede naam?’, vroeg ik. ‘Vinnie kan ook, als je dat liever hebt.’
‘Edmund is prima’, zei Edmund. ‘Beter dan niets.’
‘Ik vond een naam altijd onnodig’, legde ik uit. ‘Als ik praat, is het toch duidelijk dat ik het tegen jou heb? Er is hier verder niemand.’
‘Meestal heb je het anders tegen jezelf.’ Daar had mijn goudvis een goed punt. Ik moest toegeven dat ik, als ik in mijn kamer iets zei, het meestal tegen mezelf had, en niet tegen hem.
‘Dag na dag wordt er niets tegen mij gezegd. Ik verveel me dood hier. Waarom koop je niet een tweede vis? Dan heb ik ook wat te doen als jij weer eens naar college bent.’
Zo kwam het dat ik op een regenachtige donderdagmiddag naar de dierenwinkel toog om een tweede huisdier te kopen. De verkoper pakte een netje en vroeg me welke vis ik wilde hebben. Ik wenste dat ik Edmund had meegenomen zodat hij zelf had kunnen kiezen, hoewel dat misschien enkel voor meer problemen had gezorgd. ‘Degene die u het eerst kunt vangen’, zei ik. Ik vermoedde dat Edmund behoefte had aan een brave, volgzame vis, eentje die graag naar zijn gepraat zou willen luisteren en hem niet voortdurend tegen zou spreken. De verkoper knikte afwezig en hengelde een klassiek uitziende goudvis naar boven. ‘Even laten acclimatiseren en dan pas uit het zakje halen. Dat is dan twee euro alstublieft.’
‘Dit is Vinnie’, zei ik tegen Edmund. ‘Vinnie, dit is Edmund. Hopelijk gaan jullie samen een prettig leven tegemoet.’ Beide vissen staarden elkaar glazig aan. Vinnie botste voortdurend met zijn kop tegen het plastic zakje wat hem van de rest van de kom scheidde. Voor het gemak vatte ik dit op als een teken dat hij niet kon wachten om zich bij Edmund te voegen. Na een tijdje liet ik hem voorzichtig uit het zakje glijden. Angstvallig bleef hij in hetzelfde hoekje zwemmen, alsof hij niet doorhad dat hij nu meer bewegingsvrijheid had. In plaats van enthousiast met Edmund kennis te maken, wilde hij nu juist zo ver mogelijk van hem vandaan. Hij botste met zijn kop tegen de glazen wand, alsof hij wilde ontsnappen. Edmund zelf zat ergens achter zijn kasteeltje verscholen. Waarschijnlijk hadden ze wat tijd nodig. Ik wist niet precies hoe vissen zich aan elkaar voorstelden, maar misschien deden ze dat liever zonder mijn aanwezigheid. Zelf voelde ik me ook altijd hoogst ongemakkelijk als een vriendin me aan iemand voorstelde die ik absoluut moest leren kennen, om dan vervolgens een kwartier lang kwade blikken op me te werpen als ik weer eens een onhandige formulering gebruikte. Daarom besloot ik eerst maar eens wat eten klaar te maken. Terwijl de aardappelen stonden te koken, gluurde ik mijn kamer in. Omdat ik van die afstand niet goed kon zien wat er gebeurde in mijn vissenkom, liep ik toch maar naar mijn huisdieren toe. Edmund en Vinnie zwommen nu in hetzelfde hoekje. ‘Stoor ik?’ Het voelde nog steeds ietwat idioot om tegen mijn goudvis te praten.
Edmund, duidelijk herkenbaar door zijn zwarte kringen, stak zijn kop boven water. ‘Hij kan niet eens praten!’ Normaal gesproken zou ik niet snel zeggen dat iemand iets op verongelijkte toon zegt, maar hier was het volledig van toepassing. Mijn goudvis was verongelijkt omdat zijn nieuwe komgenoot niet kon praten.
‘Wat had je dan verwacht?’, vroeg ik. Op het antwoord kon ik niet wachten, vanuit de keuken hoorde ik mijn aardappels overkoken.
De schok toen ik met mijn bord vol vissticks, doperwten en aardappel terugkwam, was groter dan de schok die ik kreeg toen mijn goudvis zijn eerste woorden zei. Edmund lag op de grond. Zijn ogen waren al dof geworden en ik wist meteen dat hij nooit meer zou praten. Mijn ogen gleden van het koude laminaat naar de vissenkom. Vinnie zwom nog steeds met zijn kop tegen de wand aan. Hij knipoogde.
WIMPERS - Barbara van Ransbeeck
Beluister dit verhaal voorgelezen door Iris Koppe
Ik was in de war. De doorsnee voorbijganger zou gezegd hebben dat ik mentaal gestoord was. Kierewiet, recht uit het zothuis. Het was ook geen zicht. Hoe ik daar in mijn blootje op mijn knieën over de grond kroop, met mijn vingers tussen de voetpadtegels friemelde. De mieren rond mijn voeten uitschold voor vuile dieven. Met mijn handen streelde ik de stoep, in de hoop iets te voelen dat ik met mijn ogen niet zag. Ik was niet gek, hooguit een beetje radeloos en verloren, zoals in de beste liefdesliedjes. Als ik die wimper niet snel vond, dan kon ik evengoed terplekke doodgaan.
Twee weken geleden raakte mijn leven plots in een stroomversnelling en stroomversnellingen hebben nogal eens de neiging overweldigend snel en onomkeerbaar te zijn. Ik demonstreerde net aan een vriendin dat mijn traanklier een tjirpend geluid maakt wanneer ik erop druk, toen er een wimper op mijn hand viel. Een wens! Al van sinds ik tot een klavertje vier kan tellen, laat ik nooit een kans onbenut om mijn geluk een handje te helpen. Ik blijf binnen op vrijdagen met een dertien in, hou mijn houten kop vast, loop in een bocht rond een ladder, spuit witte stippen op zwarte katten en doe wensen met wimpers. Er zijn verschillende manieren om te wimperwensen, maar die dag blies ik de wimper gewoon met mijn ogen dicht van mijn wijsvinger. Ik wenste dat ik mijn droomprins zou ontmoeten. Een standaardwens zeg maar. Het cliché onder de wensen. Wonderwel kwam mijn wens meteen uit. Ik was nog maar net hink-stap-springend de hoek om (mijn benen zijn niet even lang) of ik botste op een mooie jongeman met een regenboog T-shirt. Waar onze blikken kruisten, flambeerde de lucht spontaan. Zoef! Verblind door zijn aanwezigheid vergat ik te spreken, vergat ik te bewegen. Vergat ik alles. Gelukkig neemt mijn automatische piloot het op zo’n momenten over en mijn vingervlugge vingers konden hem in het passeren nog net een stukje DNA ontfutselen, een roosschilfer van op zijn schouder.
’s Avonds, onder de microscoop, ontdekte ik alles wat ik van hem moest weten: hij heette Marnix, volgde Deense les, hield van strijken, vetplanten en regenbogen. Ik danste op wolkjes, nu hij nog. Uit de tekenfilm van Alladin en zijn wonderlamp wist ik dat je niet om het even wat kon wensen: je kon niemand op je verliefd laten worden. Dat wist ik nu wel zeker, want daar had ik al zeven wimpers aan verspeeld. Het moest dus met een omweg gebeuren.
Ik droomde van hem. Ik verprutste uren met denken aan hem, verzon de meest tragische filmscenario’s: hij redde me uit een zinkend schip, we kregen een incestueuze broer-zusrelatie of vlogen samen door de lucht op een brandblusser. Ik ging helemaal in mijn fantasie op tot een ondeugend kaboutertje me tegen de hersenpan tikte dat ik in actie moest schieten. Hij maande me aan om nog wat wimpers te testen. Was mijn wens toevallig uitgekomen of had ik écht magische wimpers? Ik testte mijn geluk eerst kleinschalig: ik wenste de nacht en de elektriciteit viel uit, ik wenste een lekkere chocoladetaart en mijn broer stond met een gestrikt wit kartonnen doosje voor de deur. Het regende, ik dacht aan een paraplu en er viel een uit de lucht. Kleine, praktische dingen, die mijn hart deden swingen. Eerst wachtte ik nog geduldig tot er een wimper uitviel of loszat, maar na een tijdje trok ik ze gewoon uit en wenste me te pletter. Ik merkte niet eens op dat de wenswimpers niet teruggroeiden, zo was ik onder de indruk van de kleine ingrepen die mijn leven alsmaar spannender en glamoureuzer maakten.
Marnix! Na dagen van onzichtbaar stalken en intensieve research was het op een avond dan eindelijk gelukt. Ik had er met wimperkracht voor gezorgd dat we in hetzelfde danscafé zaten. Hij met zijn regenboog T-shirt, ik met mijn verliefde aura om me heen (flashy roze!). “Ooh, girl, shock me like an electric eel », klonk het. Perfect. De dj kon mijn knetterende gedachten lezen. De gewenste elektriciteit hing in de lucht. Marnix voelde het ook en kwam naar me toe. Hij vroeg een vuurtje. We haalden ijverig onze goedkoopste koetjes en kalfjes boven, maar ruilden die beesten al gauw in voor diepgaandere kwesties. We praatten urenlang. Over alles en niets. We kregen die avond allebei de verkleinwoordziekte te pakken. Heel heftig. Overal kleefden we –jes en –pjes en -etjes achter. Mijn stekje of het jouwe?
Het werd mijn appartement. De hele tijd dat hij bij mij was had ik uit onzekerheid nog stiekem dingen aan mezelf zitten veranderen. Ik polste ernaar of hij van grote borsten hield en wenste er in het toilet vlug kleinere dan de toeters die ik mezelf had aangemeten. Ik toverde nog vlug even lange benen, een geschoren bikinilijn en een extra erotische lichaamsgeur. Twee condooms en een pakje Kleenex. We speelden strippoker, daarna tikkertje, vleiertje en tenslotte bloterke. Tussen mijn toegeknepen oogleden gluurde ik naar hem. Jep, een naakte homo erectus tussen mijn lakens. ‘Fly me to the moon, man!
We keken lang in elkaars ogen, van links naar rechts en terug, telden elkaars sproeten, tot hij fronste. Eerst zijn linkerwenkbrauw omhoog, dan zijn rechter. ‘Hoe vreemd, jij hebt geen wimpers… of toch nog eentje in je linkeroog’, verbrak hij de seksuele spanning abrupt. ‘Ben jij zo’n type dat uit stress dingen moet uittrekken?’. ‘Er bestaan mensen die geen haar mee op hun hoofd hebben en een pruik…’ Ik hoorde hem niet meer. In mijn hoofd stopte ook Frank Sinatra abrupt zijn romantische zangstonde. De laatste wimper? De allerlaatste? Een kortsluiting in mijn computer. Een rookpluim uit mijn oor. Ik moest nog een brood wensen, want de bakkers waren al dicht. Ik moest nog wensen dat het lekker zou zijn met Marnix. Dat hij zou terugkomen. En ik moest nieuwe wimpers wensen. Meneer regenboog vond het grappig om tijdens mijn algehele verstomming en tijdelijk locked-insyndroom die laatste wimper uit te trekken. Hem plagend tussen zijn duim en wijsvinger voor mij te houden en ruim op tijd weg te trekken, want ik kon nog steeds niet bewegen. Uiteindelijk liep hij ermee naar het raam en liet hem op zijn vinger buiten hangen. Met een grijns op zijn gezicht van oor tot oor. Ik reageerde eindelijk, op de verkeerde manier. Ik sprong op hem. Zijn arm wiebelde. De wimper viel uit het raam.
Uit mijn keel schoot een gil zo schel dat mijn trommelvliezen er haast van barstten. Bijna dook ik achter de wimper aan, maar mijn lichaam maakte een zelfbehoudende schijnbeweging en trok zich nog net terug. In de plaats verkocht ik meneer de grapjas een hysterische lap van 100 euro en stoof naar de deur. De lift werkte natuurlijk niet. Op zo’n momenten volgen liften gráág de wet van Murphy. Vier trapverdiepingen rende ik naar beneden. Ik hoorde Marnix’ kaak nog nasmeulen en zijn mond drie verdiepingen lager openvallen. Zijn goesting verstijven. Het klonk als verre echo’s, terwijl ik op de stoep voor mijn appartement de laatste wimper zocht. De wind en de mieren beschuldigend van diefstal. Mezelf van ‘hoe is het mogelijk?’. Ik streelde het hele voetpad. Hoorde Marnix zich haastig en gegeneerd uit de voeten maken. Op weg naar een nieuw honderd meter record. Ik bleef zo goed als ik kon gefocust op de zaak, maar vond geen wimper. Ik weet niet of een wimper zo’n diepe val überhaupt kan overleven. Ik vloekte als een Gilles de la Tourette- patiënte. Ik had geen wimpers meer om de tranen tegen te houden.
Uiteindelijk haalde ik mijn laatste redmiddel boven: de pluisjesroller. Zorgvuldig pluisde ik het voetpad, de straat, de mieren, alles. Bracht mijn stoep geografisch in kaart. Het resultaat onderzocht ik op mijn appartement. Stukjes bladeren, zandkorrels, bladeren, fluim van de onderbuurman, hondenharen, Coca-Cola, maar geen wimper. Ik wenste mezelf dan maar in slaap, zonder wimper. Morgen zou ik mijn armhaar op wenskracht testen.
Onder neon - Yannick Dekeukelaere
Beluister dit verhaal voorgelezen door Saskia de Coster
In de shop van het benzinestation ensceneren Lucas en Gio tussen opengescheurde verpakkingen het vullen van een rek met chocoladerepen. Op de toonbank staat een kaart waarop Icham ontroerd door de letter k ‘Vrolijk Kerstmis en gelukkig Nieuwjaar’ heeft geschreven. De manager heeft hem daar op zijn weg naar buiten om gevraagd, waarna hij hen allen wenste wat op de kaart zou komen en hij met zijn vriend voor de eindejaarsperiode naar Zwitserland vertrok.
December vertaalt zich naar rode en groene slingers aan het plafond, Kerstmannen aan de muur, adventskransen en houtstronkjes tussen voorverpakt brood en dagcrème en een witte nevel die op het kogelvrije raam is gespoten. Magda haar werk, ongevraagd brengt ze versieringen aan. Op een vrije dag staat ze plots in de shop met een kartonnen doos waarvan de zijkant in rode stift de aankomende feestelijkheden verraadt: Halloween, Sinterklaas, Kerstmis.
‘Als ik het niet doe, dan doet niemand het,’ klaagt ze op zulke dagen, het trapladdertje openklappend. Langzaam maar zeker maakt Magda van het benzinestation haar thuis. Enkele weken geleden moest ze de wc-bril van het personeelstoilet vervangen. Ze heeft er een gekocht met engeltjesafbeeldingen op. De manager kan niet lachen met zulke frivoliteit, maar omdat Magda de moeder van het benzinestation is, mag de wc-bril voorlopig blijven. Alle werknemers zijn zonen of dochters van Magda: Lucas de gehoorzame zoon, Gio het eeuwige mama’s kindje, Icham de ongevraagde stiefzoon. Ze vraagt streng: ‘Rook jij?’
‘Neen.’
‘Nooit mee beginnen.’ Ze voelt zich verplicht zulke adviezen te geven. Bovendien raadt ze aan papiertjes en bladeren op te vegen met het Magdaborsteltje. Hoe het ding aan die naam is gekomen weet niemand, maar er wordt niet naar een reden gevraagd. Dat doet zij immers ook niet. Na haar shift steekt ze bij de bushalte een sigaretje in een houder op. Ja, dat type moeder is ze wel, een die rokend wacht op de bus, op het lege huis.
Verlicht door halogeenlampen druppelt krakende popmuziek stilletjes over flessen frisdrank, zakken chips en rollen wc-papier en botst op de kranten en een lekkende koffieautomaat in de uithoeken van de shop. De L-vormige toonbank waarachter Icham staat vormt een eiland waar hij niet af kan. Soms kijkt hij naar Lucas, eerder geduldig dan vragend, alsof hij het allemaal begrijpt. Alsof hij slechts wilt weten wat de volgende stap zal zijn, wat er nu met hem gaat gebeuren. Lucas wandelt door de shop naar achteren, naar de bergruimte waar de dozen met chocoladerepen vandaan komen en Icham wandelt met hem mee tot waar zijn eiland reikt.
Verkommer, denkt Lucas. Sterf een hongersdood.
De manager en zijn vriend rijden met hun gesloten cabriolet niet langer over Vlaams grondgebied. De vakantie, die ze in het bureel naast de bergruimte reeds hebben ingezet, kan niet meer fout lopen.
Op zijn eiland voelt Icham zich leeg, hij moet dringend weer woorden met een k opschrijven. Hij vindt echter geen reden, en dat is een spelregel. Zonder reden tellen zelfs de mooiste letters niet. Icham moet niet vaak schrijven, daarom verlangt hij naar zaterdag. Dan zit hij aan de keukentafel en vormt hij gedetailleerde boodschappenlijstjes op dik papier. Af en toe loopt het fout en verontschuldigt hij zich bij de letter, hij zegt: ‘Het spijt me dat je zo lelijk bent.’ De prettigste moment om te ontwaken is een zaterdagenochtend in verwachting van fraaie letters. Met zulk een vooruitzicht prevelt Icham onder zijn beddensprei: ‘Ik besta.’ Zachtjes, uit angst voor iemand die zijn bewering kan komen weerleggen.
Het is donker buiten. Lucas denkt aan daglicht als aan een boerderijbezoek in zijn kindertijd. Hij vermoedt dat het altijd nacht zal blijven en bereidt zich voor op die gedachte. Terwijl hij de gietertjes van de zes benzinepompen naar het grasveldje naast de shop draagt, beeldt hij zich warmte in. Hij giet er vijf leeg over het gras en zet het zesde neer tegen de zijmuur van het gebouwtje. Over een half uur zal het benzinestation sluiten. Zwerfvuil waait over de verlaten parking en Lucas probeert te bedenken hoe dat komt. Hij zit naast de gieter tegen de muur en stroopt de broekspijp over zijn gebogen rechterbeen op tot boven de knie. Met zijn tong likt hij zijn knie en een stukje bovenbeen nat. Het is een harig been. Nogmaals denkt Lucas na, maar hij kan echt niets verzinnen. Zijn lippen kussen de natte plek, zonder dat hij iets ontdekt. Met dezelfde kracht die hij gebruikt om tranen naar buiten te duwen zet Lucas zijn tanden in het been. Harig en taai, zo voelt het aan. Toch weet hij nog steeds niet waarom. Wel neemt hij de gieter die naast hem staat en giet hij als verdoving wat water over de tandafdruk. Het water wast ook de inspanning van zijn gezicht.
Wanneer Lucas de gieters naar de bergruimte draagt, knikt Gio verlekkerd in de richting van de koffiehoek waar een bekende televisieomroepster in een spannende broek en top met open rug verontwaardigd terugstaart. Gio loopt naar het gebak bij de koffieautomaat en presenteert haar het dienblad met taartjes. ‘Kan ik u iets lekkers aanbieden?’ vraagt hij smakelijk.
‘Nee, dank u.’ antwoord de omroepster, waarop ze door Gio achterna gekeken naar buiten wandelt.
‘Ja, ja,’ zegt Gio met een hand onder zijn hemd en een vinger draaiend door de haren in zijn navel. Omwille van dit gevoel heeft hij zijn volgende reis naar Tunesië reeds geboekt. In februari reist hij weer af naar Monastir, om aan de bar van een discotheek te roepen dat Italianen bekendstaan om hun liefdesspel. Daarna moet hij zich verduidelijken: ‘No, I live in Belgium. But my parents are Italian.’ De weg naar liefde is lang en duur, zo lang en zo duur dat Gio af en toe genoegen neemt met het heimelijke schransen van chocoladerepen in de bergruimte. Tot hij op zijn knieën voor de wc gaat zitten, een onverteerde bruine melange uitspuwt en melancholisch vaststelt dat op de onderkant van het opengeklapte deksel Botticelli’s Geboorte van Venus wordt afgebeeld.
‘Als je echt moest kiezen, zou je dan een ei met de pel of een banaan met de schil opeten?’ vraagt de manager aan zijn vriend, die de autoradio wat zachter zet.
‘Een hard gekookt of een zacht gekookt ei?’
‘Dat maakt niet uit.’
‘Sowieso een banaan met de schil want ik lust eigenlijk geen eieren. En als jij moest kiezen,’ vraagt de vriend ondeugend, ‘zou je dan Icham of Lucas kiezen?’ De vriend schuifelt opgewonden heen en weer over zijn verwarmde passagierszetel. Nog drie uur en dan zullen ze de slaapkamerdeur van hun berghut opengooien.
Icham heeft een reden gevonden. Het takenlijstje dat hij met genegenheid heeft geschreven ligt nu op de toonbank, zodat Gio en Lucas het kunnen uitvoeren. Wanneer Lucas het lijstje vindt, probeert hij de eilandbewoner te negeren. Hij wil de honger en de wonden van de verschoppeling niet zien, maar het eiland verspreidt de geur van zijn bewoner. Een geur die Lucas misselijk maakt. Icham wacht nog steeds af. De leegte stelt hem gerust, hij lijkt te denken: als God het wil.
Af en toe steunt Lucas op een winkelschap om het evenwicht te bewaren. Zo baant hij zich een weg naar de koffiehoek. Aan de hoge tafel bij de koffieautomaat roept een klant: ‘De economie is in goede handen!’ Vanuit de man zijn mond springt spuw op zijn baard en verspreidt zich een walm van wodkacola. Lucas houdt zich vast aan de rand van de tafel, zijn lichaam lijkt opgebouwd als een slecht gevulde vuilniszak die telkens weer omvalt.
Lucas verzamelt de schotels met daarop wat rest aan gebak. Zijn schouder glijdt langs de muren van de shop richting de bergruimte. Daar vreet hij de overblijfsels op, kauwend met gesloten ogen om de smaak te verdiepen. Hij ziet weer hoe Icham na sluitingstijd zijn blauwe bedrijfshemd losknoopt en zo zijn slanke rug ontbloot. Hij ziet weer hoe hij met ingehouden adem naar de eilandbewoner glijdt. Aan de lucht en in de stilte voelt Icham hoe twee armen hem langs achteren zullen omringen om hem tegen een borst aan te drukken. Even mag hij het ook weten. Vluchtig krijgt hij een idee van hoe het is om eindelijk niets te zijn dan een ander zijn zorg en toewijding. Dan schreeuwt hij als waanzinnig om de afschuwelijke pijn. Lucas vindt dat de huid smaakt zoals ze eruitziet.
Met de steun van

- Het Verhaal der Lage Landen

© CJP vzw - 2009




Reacties
Hoera voor Boeski
"Een kortsluiting in mijn computer. Een rookpluim uit mijn oor." --Hilarisch.
"Morgen zou ik mijn armhaar op wenskracht testen." -- Nogmaals hilarisch.
Dat Boeski's verhaal een prijs wint mag verdiend heten!
Als dit het opkomende talent
Als dit het opkomende talent in de Lage Landen moet voorstellen, vrees ik voor een opkomende impasse in de talige voorstellingswereld van de Lage Landen.
wimperwensen
Heerlijk verhaal boeski, ik lees je graag.
Soetmin
BAAAAAAAAAAAAAAAWWWWWWWWW
BAAAAAAAAAAAAAAAWWWWWWWWW anonieme bezoeker heeft niet gewonnen ;_ ;
Misschien heeft hij te veel zinnen van honderd frank in zijn verhaaltje gestoken. Zoals "een opkomende impasse in de talige voorstellingswereld". Gtfo...
tip van het brabants dagblad
Naar aanleiding van het interview met Marleen van de rVelden in de CJP advertentie las ik het verhaal over de pratende goudvissen. Mijn complimenten. Ik hoop in de toekomst meer van haar te mogen lezen. Pratende dieren mogen niet van Cees Nooteboom, maar wie luistert er nu nog naar een zwever als Cees Nooteboom?
Gr. Huub
Ik denk dat 'anonieme
Ik denk dat 'anonieme bezoeker' de verhalen niet begrepen heeft en zich daarom de voorstellingswereld van de schrijvers van deze verhalen niet kan voorstellen. Dat, of hij is een slechte verliezer... Ik vind ze knap geschreven!
Nieuwe reactie inzenden