Diep in de Antwerpse Kempen, waar de noorderwind een penetrante geur van pindakaas, maatjes en drop mee landinwaarts blaast, ontmoeten we de man achter Guido Pallemans, Pappie Vaneigens en Willy Vermaelen.
We zoeken een plekje onder zijn notenboom, maken een hartverscheurende keuze tussen drie soorten water en gaan op zoek naar de echte Frank Focketyn. Een kleine moeite voor ons betekent misschien een wereld van verschil voor u.
Sinds enkele seizoenen maak jij deel uit van het ensemble van het NTGent. We herkennen hier grote Vlaamse namen als Els Dottermans en Wim Opbrouck. Is het dankzij deze laatste dat ook jij nu deel uitmaakt van deze ploeg?
Frank: Een paar jaar geleden waren wij samen Het Eiland aan het opnemen. Wim speelde vanaf het seizoen 2005-2006 bij het NTGent, het seizoen dat Johan Simons waarin artistiek leider is aangetreden. Tijdens de draaidagen van Het Eiland had ik het met Wim vaak over het NTGent. Ik had ook pas een productie van dit gezelschap gezien en wou absoluut met Johan Simons samenwerken. Toen we ‘s morgens met ons tasje koffie aan ons eiland zaten, gaf Wim het telefoonnummer: “wete wa, belt hem gewoon op.” Ik heb hem dus gebeld en hij zei direct dat ik moest langskomen. Dan ben ik een babbeltje gaan doen en van het een kwam het ander.
Ik veronderstel dat niet iedereen zo gemakkelijk bij het NTGent binnengeraakt. Is het voor jou een doel op zich om altijd een stap verder te zetten?
Frank: Ik ben nooit in heel mijn leven ambitieus geweest, of een strever. Wat zich aanbiedt, biedt zich aan. Ik wil niets forceren want dan loopt het fout. Het is misschien heel naïef, maar ik ben heel blij dat ik zo ben. Ik kijk ’s morgens naar de kleur van de lucht en pas dan pluk ik de dag.
Liefde tot de dood
Het komende seizoen ga jij met Brief aan mijn Rechter een monoloog vertolken naar Georges Simenon. Kan je al een tipje van de sluier oplichten?
Frank: Het is iets heel spannends voor mij. Ik heb nog nooit een monoloog gedaan, nog nooit alleen op de scène gestaan. Voor mij is toneel iets wat je sàmen speelt, en bij een monoloog is dat toch anders. Je speelt ook wel samen: met je publiek, met je decor… maar het is toch spannend.
Het verhaal gaat over een dokter die zich onder sociale druk van zijn omgeving gesetteld heeft. Dat keurslijf is zo verstikkend voor hem, want hij wordt door iedereen geleefd. Door zijn eerste vrouw, door zijn tweede vrouw, door zijn patiënten, door zijn moeder… iedereen zegt hoe het moet, en hij doet het gewoon. Op een gegeven moment ontmoet hij een jonge vrouw die gelijklopende patronen heeft gekend. Hier kentert het stuk, want vanaf deze ontmoeting stort hij zich volledig in de zelfdestructie. Ze vieren hun liefde tot de dood.
Dus we moeten ons niet per se opmaken voor een komedie?
Frank: Nee, dat denk ik niet. (lacht) Het is heel ernstig, maar dat ìs humor ook vind ik. Je krijgt natuurlijk snel een label opgeplakt: “Frank Focketyn, daar zal wel humor in zitten.” En dat is ook zo, want we zijn zo geboren. Maar eigenlijk hou ik van ernst, omdat ernst heel grappig is. Kijk maar naar In De Gloria. Dat is toch heel schrijnend, heel wrang en toch ook zo des mensen. En juist door deze herkenbaarheid krijg je al spontaan een glimlach op je mond.
Het personage in je monoloog wordt geleefd. Jij bent een man van het Carpe Diem-principe. Is dat een contradictie waar je je als acteur makkelijk kan overzetten?
Frank: Ja, maar die tegenstelling is net leuk. Alles is des mensen. Alles zit in je eigen persoonlijkheid. Van Moeder Theresa tot Adolf Hitler, alles zit erin. Als acteur zoek je die deelpersoonlijkheden juist op en ga je die uitvergroten, om je slecht karakter naar boven te laten komen. Dat is gezond, om dat eens goed in de verf te zetten. Zo leer je al die kleine deelpersoonlijkheden hanteren en leer je jezelf daarin herkennen en erkennen. Acteren is voor mij eigenlijk een soort van betaalde therapie, een zoektocht. Ik word nu 49 en ik heb nog veel te ontdekken, wees maar zeker. Ik zit nog niet eens aan de helft van mijn leven. Ik moet nog naar heel veel begrafenissen gaan. (lacht)
Aanraders
Aangezien het nieuwe theaterseizoen weer voor de deur staat, bevinden we ons wederom in het steeds wederkerende dillema: welke voorstellingen kiezen? Wat is jouw top drie voor het komende theaterseizoen?
Frank: La Grande Bouffe zet ik absoluut op één. Dat gaat fantastisch zijn, zeker als je de film kent. Het is een coproductie met Toneelgroep Amsterdam. De theaterversie gaat dus met een echte topploeg zijn! Mijn tweede aanrader is zeker het liedjesprogramma Was will das Weib? van Els Dottermans. Dat moet ook echt de moeite waard zijn. Zij heeft zo’n mooie stem… (droomt weg)
En mijn nummer drie is natuurlijk mijn eigen monoloog, maar ik kan heel moeilijk uitleggen waarom. Voor mij wordt dit even spannend als voor het publiek, want ik ben benieuwd naar hun reacties. Dat is altijd een beetje afwachten. Bovendien is dit mijn eerste monoloog. Het gaat niet echt een verhaal zijn, maar eerder een gesprek met het publiek. Hierdoor zal je als toeschouwer jezelf op een frisse manier in vraag kunnen stellen. Therapie dus. (knipoogt)
Jij hebt het vak geleerd aan het conservatorium in Antwerpen. Hoe zag jouw doordeweekse studentenavond eruit? Deed jij zelf veel aan cultuur?
Frank: Wij zaten toen in een heel mooie tijd. Goed, nu ook hoor, maar ik ben toch blij dat ik de oude garde en de oude theaterhuizen nog heb gekend. De oude KVS-acteurs bijvoorbeeld, zoals Senne Rouffaer en Ann Petersen, toen Nand Buyl nog artistiek leider was. Ik ben blij dat ik deze generatie nog aan het werk heb gezien, want ondertussen zijn de meeste hiervan jammer genoeg al overleden.
Waren zij de reden waarom jij de bühne ambieerde?
Frank: Mijn grote voorbeelden zijn zij niet geweest, maar door ze te kennen en te zien heb ik er wel heel veel aan gehad. Ze zeggen ons heel veel over de geschiedenis en de evolutie van het theater. Daarom ben ik zo blij dat ik in de periode ‘82-‘86 met jonge beginnende acteurs heb mogen werken. Mensen als Luk Perceval, Warre Borgmans en Johan Van Assche, allemaal onder de vleugels van Dora van der Groen. We hebben van die generatie enorm veel input gekregen en het is juist déze generatie geweest die ging revolteren tegen de gevestigde waarden. Dat scharniermoment heeft het huidige toneellandschap gecreëerd. Nieuwe toneelhuizen zijn als paddenstoelen uit de grond geschoten. Het was ook het begin van de Vlaamse Golf in Nederland. Daarom ben ik blij dat ik het levendige karakter van de oude garde nog met mijn eigen ogen heb kunnen zien.
Wispelturig
Je begint nu aan je vierde seizoen bij het NTGent. Ongetwijfeld heb je ondertussen de stad op een andere manier leren kennen. Welke zijn jouw favoriete Gentse plekjes?
Frank: Ik ga niet zo vaak naar Gent, want vanuit Essen is het toch wel een eindje. Maar toch kom ik graag in Gent, want er heerst daar altijd zo’n vakantiesfeer. Het is ook een mooie, stevige stad met een geschiedenis, die authenticiteit uitstraalt. Mijn favoriete plekje ligt aan het MIAT, net naast Minnemeers. Daar kan je heerlijk eten in een moie, rustig gelegen cafetaria. Ideaal voor een koffietje bij de krant.
De vraag die natuurlijk aan menig journalistenlip hangt te bengelen is wanneer we nieuw tv-werk mogen verwachten.
Frank: Ik weet zelf nog niet wanneer, maar ik weet wel dat Jan Eelen op een ei zit te broeden. Maar dat project is echt nog te pril om er iets over te kunnen vertellen en Jan is zelf zo wispelturig dat we zelf nog niet weten welke kant het uitgaat. Voor hem zal het wel al in een verder gevorderd stadium zitten, maar het zal nog wat moeten rijpen. Een tweede Eiland of een nieuw In de Gloria zal het natuurlijk niet worden, maar het zal wel in die lijn liggen.

© CJP vzw - 2009




Reacties
Nieuwe reactie inzenden