Er was sprake van een artikel over Craig Thompson. Over de opkomst van graphic novels. Ik zou standhouders interviewen, een paar boeken vastnemen en – als kers op de taart – een kort gesprekje met Craig Thompson aangaan. Dit is dit artikel. En het gaat in het geheel niet over Craig Thompson.
Flashback naar eerder vandaag: het is vijf over vier en ik haast me naar de meet & greet. Magistraal te laat. Duw me een weg voorbij het geslenter, het gepuf en het gegraas langs de uitgestrekte weiden van het bv’tjes kijken. De trap op. De hoek om.
Niemand. Craig Thompson weg. Publiciste weg. Artikel – weg.
Kutzooi.
Even blijf ik wat dralen, verdoofd door de teleurstelling. Het is te laat om een nieuw onderwerp te bedenken en zonder dat gesprekje ben ik niets.
Jodenhoed met ghettobaard
Dan zie ik iets. Recht over me, op een paar meter afstand. Ik bekijk het van op een afstandje. Een joods-orthodoxe man van eind de veertig – jodenhoed, pijpenkrullen, ghettobaard – neemt een boek van Thompson van tafel. Bladert er in. Er is iets in zijn ogen, zijn blik, de hoek van zijn mond, dat ik onmiddellijk herken als de houding van een roofdier. Onwillekeurig moet ik glimlachen. Ik stap de schaduwen in en besluit hem van daaruit te begluren.
De joodse man speurt grondig naar mogelijk pottenkijkers maar mist mij. Waant zich alleen. Nog een terloopse zebrapadblik (één keer links, één keer rechts) en – hup! – daar gaat de graphic novel zijn jas in. Ik sta aan de grond genageld, gefascineerd. Rustig loopt hij verder. De kassa voorbij, de stand uit, de massa in.
Respect.
Fluitend loop ik de trap af. Dat een joods-orthodoxe man van eind de veertig de moeite neemt een heuse strip te stelen! Wat een glorieuze dag, besluit ik. Wat een glorieuze dag voor de graphic novel, voor de literatuur, voor de boekenbeurs. Wat een glorieuze dag want geen interview met Thompson zelf had de opkomst van de graphic novel zo kunnen illustreren.
En wat een glorieuze dag voor mijn artikel, dat nu toch een ieniemieniekleinbeetje over Craig Thompson kan gaan.



