Rachida Lambaret schreef op vraag van ’t Arsenaal haar eerste theatertekst, waarin ze Marokkaanse migranten van de eerste generatie onder de loep neemt. Zij die in de jaren 60 vol hoop en verwachting het beloofde land kwamen opzoeken, met jobs voor iedereen en het paradijs om de hoek. Belgasigaretten in het land van melk en honing.
Mourade Zeguendi, de vader uit het stuk, draagt de hele voorstelling en betovert iedereen met zijn spel. Zwierige humor, pijnlijke humor, woede of wanhoop rollen er allemaal uit met een ongekende flair. Zijn Belgische geliefde, vertolkt door Lotte Heijtenis, vormt een uitstekende tegenspeelster en legt een zelfde naturel aan de dag. De zoon, Mostafa Benkerroum, valt echter in het niets tegenover deze twee klasbakken.
Het stuk wordt in drie talen opgevoerd: Nederlands, Frans en Arabisch. Zoals dat de gewoonte is bij meertalige of anderstalige stukken is er boventiteling voorzien, maar deze is zo summier en zo vrij, dat ze eigenlijk even goed afwezig kon zijn. Het Arabisch wordt helemaal niet vertaald (maar dat is ook niet echt noodzakelijk voor het verhaal), het Frans en Nederlands slechts samengevat en amper synchroon weergegeven. Ideaal voor volleerde tweetaligen, minder ideaal voor de helft van het publiek die de tweede landstaal niet zo machtig is.
Het verhaal dat Lambaret heeft geschreven, is het verhaal van één man en zijn omgeving, niet van een generatie. Het is bovendien een cumulatieve van plots dat we al meer dan eens gezien hebben: de onmogelijke liefde, de moeilijke vader-zoon relatie, de cultuurshock. Hier vervalt het stuk in een rondje open deuren intrappen, samen met een gevoel van déjà-vu. De personages worden karikaturen van zichzelf.
Belga schetst een mooi portret van de zeden van de zestiger jaren, maar doet niet meer dan dat.



